De Dijk

ALLEMANSPLEIN – DE DIJK

De Dijk is meer dan een band, het is een baken. Je kunt zeggen: dat krijg je vanzelf als je het drieëndertig jaar volhoudt, maar dat is te simpel. Bij Huub van der Lubbe en zijn mannen gaat het er vooral om hoe ze dat doen. Door nooit routine toe te laten, de geloofwaardigheid te bewaken en als groep altijd samen te vallen met het gevoel dat hun muziek verspreidt. Een gevoel dat alleen te omschrijven valt met grote woorden – hoop, gemeenschapszin, menselijkheid, een afkeer van cynisme – maar dat in hun liedjes steevast wordt teruggebracht tot tastbare proporties. Dat maakt het tot een hele geruststelling dat De Dijk nog steeds in een busje klimt om het land te doorkruisen.

Dat weten ze zelf heus wel. Maar wat moeten ze ermee? Leunen op een iconische status zou maar uitnodigen tot zelfgenoegzaamheid, en juist dan zou De Dijk niet langer De Dijk zijn. Allemansplein, hun meest energieke cd in tijden, waarop de Amsterdamse groep overduidelijk laat horen nog altijd hongerig te zijn – al is het lastig uit te leggen waarnáár. Het nummer ‘Overal en nergens’, waarin Huub van der Lubbe voor het eerst in zijn carrière het verschijnsel ‘bandje’ tot onderwerp heeft verheven, gaat over ‘het haast belachelijke idee dat je hét ooit een keer gaat bereiken’. ‘We weten inmiddels wel dat het perfecte optreden niet bestaat – of dat het er iedere avond is. Maar het gedroomde ding is de weg er naartoe. En dit lied zegt: bijna, bijna. Dat is een belangrijke reden om steeds weer in die bus te gaan zitten.’

Overal en nergens zeg maar
Tussen noord zuid oost en west
Van je terug uit en op weg naar
Is een bandje op zijn best.

Na 33 jaar is die honger geen vanzelfsprekendheid. Je kunt hem niet faken, en het leven raast onverminderd hard door. De dood van Solomon Burke, bijvoorbeeld, was voor de band niet alleen een klap op het persoonlijke vlak, het betekende ook een plotseling einde aan de droom van een internationale tournee met de legendarische soulzanger – een van de mannen om wiens muziek het ooit allemaal begonnen was. En het zal niet helemaal toevallig zijn dat de dood nadrukkelijk rondwaarde op Scherp de zeis (2011).

Burke’s luidkeels beleden bewondering voor ‘The Dike’ was ook een bevestiging van iets dat de ze zelf misschien stiekem al wel beseften: dat de groep door de jaren heen is uitgegroeid tot een soulvolle stoomlocomotief die zich op hun terrein, ook internationaal, met de grootsten kan meten. Dat wordt op Allemansplein nog eens onderstreept. Het geluid is messcherp, de gitaren en het orgel weer een tikje groezeliger, en het tempo wordt hier en daar flink opgeschroefd.

Twee jaar geleden boekten ze zomaar een weekje in de Brusselse ICP studio. Tegen hun gewoonte van gedegen voorbereiding in, met een handvol liedjes die nog nauwelijks in de steigers stonden. Van een nieuwe plaat was nog geen sprake. ‘Er was geen druk,’ zegt Huub. ‘Als de nummers in de prullenbak zouden belanden, zou er ook geen man overboord zijn. Die vrijblijvendheid was heel plezierig. En ik meen die ontspanning ook terug te horen.’

In 2013 nam de band een jaar vrijaf, zodat iedereen de tijd had om aan hun eigen projecten te werken. Maar ook met het oog op de honger. ‘Als je vier keer per week met een busje het land in trekt om de mensen te vermaken,’ zegt Huub, ‘kan je soms een beetje uit het oog verliezen hoe fijn het eigenlijk is wat je aan het doen bent. Het is een kunst om dat niet sleets te laten worden, en die kunst beheersen wij inmiddels wel aardig.’

Toen ze de draad weer oppakten, bleek de ruggengraat van een nieuwe cd er al te zijn. De Brusselse sessie had onder meer het prachtige ‘Allemansplein’, waarin Huub kritisch én liefdevol terugblikt op het idealisme van de jaren 60 en 70.

We dronken en zongen
Op het Allemansplein
Het iedereenslied
Van hoe mooi het ging zijn

‘Give peace a chance, love, hippies. Ik heb periodes gekend dat ik echt dacht: nog een paar jaar en het is wereldwijd helemaal in orde. Zo is het niet gegaan. Er zijn er die zich daardoor bedrogen voelden, en cynisme ontwikkelden: het stelde toch niks voor, dus ik ga me nergens druk om te maken. Daar ageer ik tegen. Want je moet blijven dromen, blijven hopen. En tja, dan zit je op het eind van de plaat nog steeds in zo’n busje.’
Hetzelfde thema is een onderstroom in het stomende ‘Niet de lef’ en het fraaie ‘Mensen zijn mensen’. Met ‘Schaf de zon af’ en ‘Zelfs de regen’ voegt De Dijk twee klassieke liefdes(verdriet)liedjes aan het repertoire toe. En ‘Steen’, oorspronkelijk bedoeld om voor te lezen op de begrafenis van Harry ‘Cuby’ Muskee, is een duik in de blues. Een hoopvolle, optimistische toon overheerst in de heerlijke single ‘Alles komt goed’, binnenkort te horen in de speelfilm Wonderbroeders. Het is een duet met Thomas Acda, die tevens een van de hoofdrollen vertolkt. Als… monnik.
Om te zeggen dat Thomas verguld was met de uitnodiging, is waarschijnlijk te zacht uitgedrukt. ‘Op de kleinkunst academie kreeg ik tijdens het eerste lesuur liedtekst-schrijven al ruzie met de leraar. ‘Wie vind je dan wél goed?!’ riep de directeur bijna wanhopig. ‘Huub van der Lubbe,’ riep ik terug. Hoog mikken, dacht ik. Als kind stond ik bij elk concert van De Dijk achter in Paradiso. Mijn grote neef Rob was boeker van de beste band van het land. Ik, achterin met m’n cola, kende alle teksten uit mijn hoofd. Ooit zou het moment komen dat Huub van der Lubbe zou zeggen: “Kent iemand de tekst van ‘Hunker’? Dan kunnen we het samen zingen.” Vanuit het niets zou er een spot op mij komen. Ik? Ja. Ik ken het wel, ja.
Elke avond was geweldig, maar dat moment kwam nooit.
32 jaar later. Mail. Of ik mee wil zingen op ‘Alles komt goed’. Je kunt niet te laag mikken in dromen.’

Het is een stelling die de mannen van De Dijk ongetwijfeld hartgrondig zullen onderschrijven. En het is te horen ook. Op het Allemansplein, waar het goed toeven is.